Haec libertatis ergo?

Een artikel over Geus en Spanjool

``Nobody expects the Spanish Inquisition!''

Ahh, de 80-jarige oorlog. De opstand van de Nederlanden tegen het Spaanse gezag. De geuzen en Willem van Oranje. De belegeringen van Haarlem en Leiden. 1600, Slag bij Nieuwpoort. Van Alkmaar begint de victorie! Ik weet niet hoe het tegenwoordig in het onderwijs gesteld is, maar ik kreeg dit nog tijdens mijn geschiedenisles op school. Nou moet ik bekennen dat de periode eigenlijk een beetje buiten mijn echte belangstelling valt (die pas tegen het einde van de 17de eeuw begint), maar toch...

Op de laatste Murphy Mania kocht ik voor een laag bedrag een spel genaamd Geus en Spanjool. Het is een gezelschapsspel voor twee personen (is dat een contradictio in terminis?) over de opstand en ik wil er in deze Nieuwsbrief eens iets over vertellen.

Het verhaal van de opstand is een lang verhaal en ik zal jullie er dit keer niet al te zeer mee vermoeien. Laten we volstaan met het feit dat in de zestiende eeuw er in Nederland een botsing plaatsvond tussen de centraliserende overheid van de Habsburgers, en de plaatselijke autoriteiten, die aan hun lokale privileges wilden vasthouden. Daar kwam ook nog een religieuze laag overheen in de vorm van hagepreken van calvinistische zendelingen, die veel succes hadden. Deze onvrede vond een leider in Willem de Zwijger en deze begon een opstand tegen het Spaanse gezag. Lange tijd hing het succes aan een zijden draadje (zo konden de huurlingenlegers van de opstandelingen niet echt tegen de Spaanse tercio's in het veld treden), maar zij kregen hulp van de watergeuzen, die onder andere vanuit Engeland opereerden en waartegen de Spanjaarden eigenlijk geen adequaat verweer hadden.

Na de moord op Willem van Oranje werd hij als stadhouder opgevolgd door Maurits, die op zijn beurt weer opgevolgd werd door Frederik Hendrik. Onder zijn leiding werd met de definitieve vredesonderhandelingen begonnen. Tijdens het bewind van Maurits was het al eerder tot een twaalfjarig bestand gekomen. Maurits vestigde overigens zijn naam door het Staatse leger grondig te hervormen, zodat het tot het model voor West-Europa werd.

Na deze (zeer) korte uiteenzetting is het nu de beurt om eens te gaan kijken hoe al deze ontwikkelingen hun weerslag in Geus en Spanjool gekregen hebben.

De Kaart

Als ondergrond van de spelkaart heeft de maker de oude `Leo Belgicus' kaart van de Nederlanden gebruikt en daarop met dikke lijnen de provincies aangegeven. Steden worden door vierkantjes aangeduid en provincies hebben vaak (maar niet altijd) meerdere steden (over het belang hiervan later meer). In totaal staan er 45 steden op de kaart en het bezit ervan bepaalt grotendeels de overwinning. Aan de randen van de kaart zijn verschillende hokjes afgedrukt voor kampementen van de spelers waar versterkingen op kunnen duiken, een bewegingsbalk en een track om de puntentelling bij te houden. Het geheel oogt zeer smaakvol (en dat kan het spelplezier alleen maar vergroten).

En klein puntje is overigens wel dat de namen van de provincies en steden in het Nederlands geschreven zijn. Nu is dat geen probleem bij Friesland en Groningen, maar bij sommige steden in de Zuidelijke Nederlanden, die tegenwoordig in Frankrijk liggen, kan dat verwarring zaaien. Even voor de goede orde: Rijsel is Lille, Doornik is Tournai, Bergen is Mons, Atrecht is Arras, Kamerijk is Cambrai en Valensijn is Valenciennes. Met name deze laatste kostte mij eventjes denkwerk, maar dat houdt de speler bij de les.

De Counters

Deze zijn de simpelheid zelve: bij leiders hebben zij de naam van de leider en de waarde die hij aan een gevecht kan toevoegen. De Spaanse leiders hebben rode counters en de Nederlandse leiders blauwe. Eén ding valt mij hierbij wel op: beide spelers hebben tien leiders, één met een rating van twee, zes met een rating van één en drie met een rating van nul. De verdeling van deze rating lijkt mij een beetje onder de balans van het spel te lijden. De `2' leiders zijn Alva en Willem van Oranje. Maar om nou een militair talent als prins Maurits een `1' te geven vind ik een beetje te. Maurits was toch wel beter dan dat?

Daarnaast zijn er de groene troepencounters die door beide partijen gebruikt worden (het zijn immers huurlingen die nog wel eens van partij kunnen wisselen). Deze troepencounters hebben een cijfer dat het aantal vendels en de gevechtssterkte aangeeft. Daarnaast staan er op deze counters mooie afbeeldingen van soldaten, die uit de `Wapenhandelingen' van Gheyn afkomstig zijn.

Verder zijn er een viertal counters voor watergeuzen (drie met naam en één zonder), die de Nederlanders als versterkingen binnen kunnen krijgen, Spaanse cavalerie, die veel effectiever vecht dan de landsknechten en tenslotte een counter voor elke stad. Deze is aan de voorzijde bedrukt met het oranje-blanje-bleu van de Staatsen (inderdaad, niet het tegenwoordige rood-wit-blauw, maar het historisch correcte oranje-wit-blauw. Tien punten voor de oplettende maker!) en op de achterkant met het rode kruis van Bourgondië voor de Habsburgse troepen. Counters van steden aan de kustlijn, die door watergeuzen kunnen worden ingenomen hebben een sterretje.

Er is overigens een klein foutje bij twee van de counters gemaakt. Zo heeft de counter van Ieper een sterretje op de Staatse zijde maar niet aan de Habsburgse kant en bij de counter van Oostende is precies het omgekeerde het geval. Dit zorgt ervoor dat watergeuzen in hun beurt wel Ieper in kunnen nemen, maar Oostende alleen in kunnen nemen wanneer het al in Staatse handen is! De kaart maakt duidelijk dat het hier om een drukfout gaat; Ieper moet geen sterretje hebben. Dat Oostende in een Staatse beurt door watergeuzen ingenomen moet kunnen worden lijkt mij duidelijk.

Tenslotte moet ik ook nog even vermelden dat er bij het spel drie grote dobbelstenen bijgeleverd werden.

De regels

De regels, die niet al te moeilijk zijn, staan in een klein boekje. Nu zijn de regels een beetje in spreektaal geschreven; met andere woorden, soms niet al te duidelijk. Maar met een beetje gezond verstand is er toch wel op te maken wat de ontwerper van het spel voor de geest stond. Verder zit er voor mensen wier belangstelling door dit spel gewekt is ook een boekje bij met een korte geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog. Dit is iets dat alleen maar valt toe te juichen en als voorbeeld navolging verdient.

Hoe speelt het?

Om maar meteen met de deur in huis te vallen, simpel –dit spel vraagt even veel strategisch inzicht als een potje ganzenborden– maar leuk. Aan het begin van het spel wordt voor iedere stad een dobbelsteen gegooid met 50% kans dat de stad Spaans blijft en 50% kans dat de stad overgaat naar de opstandelingen (1-3 Spaans; 4-6 Nederlands). In het vak `Nederlands kampement in Engeland' worden twee eenheden watergeuzen neergelegd en in het vak `Nederlands kampement in Duitsland' Willem van Oranje en Lodewijk en Adolf van Nassau met vijftien vendels huurlingen. Het `Spaanse kampement in Lotharingen' bevat Alva, Don Frederik, en Aremberg met vijftien vendels landsknechten, en twee vendels Spaanse cavalerie.

Aan het begin van elke beurt gooit elke speler een dobbelsteen om het aantal bewegingspunten voor die beurt vast te stellen. Maar de som van beide dobbelsteenworpen levert ook meteen een resultaat op op de random events table (`Tabel van de gebeurtenissen'). Deze zit zeer interessant in elkaar. Wanneer bijvoorbeeld beide spelers hoog gooien (hoger dan zeven) levert het versterkingen op voor de Nederlanders (op het resultaat bij elf na; dan verliest de Nederlandse speler een leider). Met andere woorden, dan hebben beide spelers wel veel bewegingsruimte, maar het is voor de Spaanse speler niet leuk. Nee. Het is voor hem het beste wanneer hij vijf of zes gooit en de Nederlander een één. Dan krijgt hij versterkingen. En wanneer de som van de worpen zeven is dan vindt er een puntentelling plaats.

De leukste resultaten zitten natuurlijk aan de uiteinden van deze tabel, te weten Spaanse en Nederlandse diplomatie. Dan kan de speler voor elke vijandelijke stad zonder garnizoen een dobbelsteen gooien; indien hij zes gooit gaat de stad over naar hem. Zoiets kan potentieel dodelijk zijn. Ook een potentiële killer zijn de resultaten drie en elf: dan vertrekken respectievelijk een Spaanse en een Nederlandse leider. Wanneer hierdoor echter een veldleger op de kaart zonder leider komt te staan gaat het muiten en verdwijnt het van de kaart. Wanneer bij de drie de Nederlandse speler hoger gooide dan de Spaanse bepaalt hij welke leider in het stof bijt; indien de Spaanse leider het hoogste gooit maakt hij de keuze. Bij de worp van elf zijn de verhoudingen omgedraaid.

De speler die het hoogste aantal bewegingspunten heeft gegooid heeft het initiatief en is als eerste aan de beurt (bij gelijke worpen heeft de Spaanse speler het initiatief). Voor een bewegingspunt kan de speler zijn troepen bewegen. Je kan een leger van een provincie naar een naburige provincie bewegen (Spaanse cavalerie kan overigens zonder extra bewegingspunten twee provincies bewegen). De Nederlandse speler beweegt indien hij aan de beurt is overigens als eerste zijn watergeuzen en daarna pas de rest van zijn landlegers. Legers mogen overigens alleen bewegen wanneer er een leider bij is en leiders mogen zich nooit zonder troepen bevinden. Troepen die zich in een kampement (aan de rand van de kaart) bevinden mogen de kaart op marcheren (maar mogen niet meer terug het kampement in gaan; dat mogen alleen leiders om versterkingen die in kampementen opduiken op te pikken).

Na het bewegen volgt het herschikken, dat geen bewegingspunten kost. Dat is simpelweg het verdelen van troepen over garnizoenen of het troepen uit garnizoenen bij het veldleger voegen.

Te verwachten valt dat veldslagen belangrijk zijn. Ook veldslagen kosten geen bewegingspunten. Eerst gooit de verdedigende speler een dobbelsteen per vendel landsknechten, drie dobbelstenen per vendel Spaanse cavalerie en wanneer de beste leider van de verdediger een hogere waarde heeft dan die van de aanvaller dan levert dat drie dobbelsteenworpen per punt verschil op. Elke zes kost de vijand een eenheid. Dan doet de aanvaller hetzelfde. Degeen die het hoogste aantal zessen gegooid heeft is de winnaar van de veldslag (bij gelijke aantallen is dat de verdediger). De verliezer is dan al zijn resterende eenheden en leiders kwijt! (Uitzondering: als de speler maar één leider op de kaart heeft dan gaat die terug naar het kampement; de speler mag overigens hiervoor zijn beste leider uitkiezen). Dat is tamelijk drastisch. Mokerhei, here we come... Klein detail, watergeuzen kunnen nooit buiten steden komen en kunnen dus nooit aan veldslagen deelnemen.

Naast het leveren van veldslagen (die provincies kunnen zuiveren) moeten er ook nog steden ingenomen worden. Daarvoor kan een speler gebruik maken van drie mogelijkheden: bestorming, belegering of list. Deze kosten overigens wel bewegingspunten. Je mag per beurt maar één aanval op een stad uitvoeren en een stad die in een beurt door watergeuzen wordt aangevallen kan niet ook door een landleger worden aangevallen.

Bestormingen: voor één bewegingspunt kan een speler een oneindig aantal bestormingen uitvoeren, hoewel... De aanvaller gooit een dobbelsteen. Bij vijf of zes valt de stad, bij vier of minder kost het de aanvaller een vendel. Bij steden met een garnizoen is er een -1 op de dobbelsteenworp.

Belegeringen: Per stad die je belegert moet je een bewegingspunt betalen. De aanvaller gooit hier ook een dobbelsteen: vijf of meer en de stad valt; vier of minder en er gebeurt niks. Een leger kan overigens in een beurt maar één stad per provincie belegeren. Wanneer er echter meer legers in een provincie zijn kunnen zij dus meerdere steden belegeren en watergeuzen kunnen niet belegeren.

List: De specialiteit van de watergeuzen! Een leger moet drie bewegingspunten betalen om een list op een stad toe te passen. Gooi een dobbelsteen en tel er de bekwaamheid van de aanvallende leider bij op en trek de bekwaamheid van een verdedigende leider van af. Bij vijf of meer valt de stad. Geuzen hebben hier overigens een voordeel. Het kost hen een bewegingspunt om en te bewegen en een list of een bestorming toe te passen.

Men kan in steden garnizoenen leggen, maar de grootte van het garnizoen heeft geen enkel effect op de bestormingen. Theoretisch kan dus een stad met een garnizoen van vijftien of zelfs twintig vendels bestormd en ingenomen worden door zeg één vijandelijk vendel. Het hele garnizoen is dan wel weg...

Natuurlijk kan je je afvragen waarom je steden in zou moeten nemen, nou, om het spel te winnen. Het zit namelijk zo: komt er een puntentelling voorbij dan levert iedere stad een punt op mits je alle steden in een provincie controleert. Een blik op de kaart maakt duidelijk dat bepaalde provincies zoals Vlaanderen en Brabant, met respectievelijk zes en vijf steden, moeilijker in te nemen zijn dan andere, zoals Friesland, Utrecht, Limburg, Namen, Groningen en Drenthe met één stad. Het absolute toppunt is natuurlijk Holland met maar liefst acht steden. Komen er een paar puntentellingen kort na elkander voorbij dan kan dit het totaal aan punten wel heel zwaar in het voordeel van één speler laten doorslaan, zoals mij een vorige keer gebeurde. Tenslotte wordt er ook nog een puntentelling uitgevoerd aan het einde van het spel.

Het einde van het spel, daar zeg ik zoiets. Het spel heeft namelijk een beetje een open einde. Beide spelers spreken van tevoren af hoeveel beurten zij spelen en op het einde van het aantal beurten telt men zijn punten. In principe is elke speelbeurt een jaar, dus zou je in totaal tachtig beurten kunnen spelen, ware het niet dat er natuurlijk niet gedurende alle tachtig jaren van de tachtigjarige oorlog gevochten werd (denk maar aan het Twaalf-jarig bestand). De ontwerper geeft aan dat twintig of dertig beurten een mooi spel oplevert.

Tenslotte zijn er in het spelregelboek ook nog een aantal variatie regels, die afwisselend de Spanjaarden dan wel de Nederlanders een voordeel geven. Een van de belangrijkste hierbij is die van terugtrekken voor een veldslag. De speler die zich terug wil trekken gooit een dobbelsteen en telt er een eventuele waarde van een leider bij op: is het totaal vijf of zes, dan lukt het, zo niet dan kost het de speler evenveel troepen als hij gooide en moet de veldslag doorgaan.

Conclusie

Het spel is, zoals de ontwerper toegeeft, een gezelschapsspel. Geen historische simulatie. Dus spelers die het effect verwachten van, zeg, de legerhervormingen van Maurits, of de effecten van de contra-reformatie, zullen teleurgesteld zijn. Voor echte historische die-hards zijn er eigenlijk op dit moment geen goede simulaties aanwezig. De enige die mij voor de geest komt is SPI's Armada. Maar als je die wil spelen doe het dan wel met de tweede editie regels, want de eerste editie had nogal wat problemen. Als `instapspel' is Geus en Spanjool echter bijzonder geschikt om beginners aan de `historische spellen' te laten ruiken. Afsluitend moet ik bekennen dat het jammer is dat er niet meer spellen over deze periode verschenen zijn.

Frank van den Bergh

Aanbevolen literatuur

Aanbevolen muziek

Camerata Trajectina, De vrede van Munster. politieke muziek uit de 80-jarige oorlog, Globe, 1998, GLO6048

© 2002 Frank van den Bergh