Pendragon 2005, sessie 5
Alein: Sander
Bandalaine: Sven
Bliant: Daniël
Chestelaine: Bart
Sessie 5
Augustus 533
Merlijn de Tovenaar wil met de ridders Bliant, Bandalaine en Chestelaine naar de Dans der Giganten om daar een ritueel uit te voeren om de grens tussen de werelden te kunnen sluiten. Hij zal dat ritueel uitvoeren en hij heeft de ridders van Sir Robert nodig om hem te beschermen.
De groep wil zich voorbereiden op deze gevaarlijke tocht. Bandalaine en Bliant nemen wat wijwater mee en Chestelaine gaat op zoek naar een konijnepootje en een klavertje vier.
Merlijn vertelt de ridders dat hij om middernacht bij de Dans der Giganten wil zijn. Dat betekent dat de ridders bij nacht van Amesbury naar het monument moeten rijden. Dit beangstigd hen een beetje.
Eenmaal aangekomen bij de Dans der Giganten zegt Merlijn waar de ridders moeten gaan staan. Hij plaatst een aantal branders met wierook tussen de enorme stenen. Als snel komt daar een vreemdgekleurde en geurige rook vanaf, die tussen de stenen kronkelt. Dan begint Merlijn met zijn ritueel, wat voornamelijk bestaat uit gezang en gedans.
De tijd verstrijkt en Merlijn gaat maar door met zijn gezang. De wierook wordt steeds dikker. Hij kolkt tussen de stenen en ontneemt de ridders het zicht op Merlijn, elkaar en na een tijdje ook op de enorme stenen. Even later zien zij helemaal niets meer en horen zij ook de stem van Merlijn niet meer.
Nog even later lost de rook weer op en de ridders staan nog steeds tussen de enorme stenen op de vlakte bij Amesbury. De tovenaar is verdwenen, net als al zijn spullen en de branders, de ridders zijn helemaal alleen bij nacht tussen de enorme stenen.
Verbaasd kijken de ridders om zich heen. De Dans der Giganten lijkt ook anders. Waar de cirkels van stenen eerst een ruimte leken te begrenzen, lijken zij nu een soort kruispunt van vele wegen en mogelijkheden te markeren. Het licht van de maan lijkt blauwer. De wereld is stil en vreemd.
Bliant is de eerste die weer bij zijn positieven is: “Merlijn heeft ons naar een andere plek gebracht en ons hier achtergelaten.” De groep besluit om terug te keren naar Amesbury en vanuit daar naar huis te gaan. Het ritueel is kennelijk mislukt.
Terwijl de groep op weg is naar Amesbury komt de zon op en verlicht het landschap. Nu pas zien de ridders echt hoe vreemd dit oord is. De kleuren zijn allemaal veel te fel, de zon te geel, het gras te groen.
Chestelaine: “Merlijn weet niet wat hij doet.”
Bliant: “Laten we dat hopen, het alternatief is nog veel erger.”
Het dorpje Amesbury is weg. In plaats daarvan staat er nu een groot en imposant woud met machtige bomen. Nu weet de groep zeker dat zij weer in het land van Faerie zijn aangeland.
Bandalaine wil het woud ingaan, hij denkt dat zij daar oplossingen zullen vinden voor al hun problemen. Bliant wil een stad vinden om mensen om hulp te kunnen vragen. De vorige keer heeft Alein contact gehad met Koningin Titiana en zij heeft hem en de anderen toen geholpen om terug te keren.
De groep gaat het woud binnen. Terwijl zij tussen de donkere bomen doorrijden, horn Bandalaine en Bliant een vreemd gegiechel. Dan zien zij een groepje monsters. Een groepje van ongeveer 20 misvormde dwergachtige wezentjes staat tussen de bomen en hangt van de takken. Zij wijzen naar de ridders en lachen. Bliant en Chestelaine overwegen om de monstertjes te vangen en mee te nemen naar Sir Robert, als een nieuw soort trofee. Ze zijn echter te lelijk.
De monstertjes zijn best bereid om wat vragen van de ridders te beantwoorden en ze zo op te houden in het woud. Ze vertellen dat zij volgelingen zijn van Koning Amadan, de Koning der Elfen en Gemaal van Koningin Titiana. Breunis, de schildknaap van Bliant weet dit gefluisterd te bevestigen (Succesvolle Faerie Lore check).
De groep kijkt opgewekt. Koningin Titiana heeft het goed geholpen, haar man zal dat vast ook wel doen. Dan gooit Belanger, schildknaap van Bandalaine roet in het eten. Hij vertelt dat er een diepe kloof bestaat tussen de echtelieden Titiana en Amadan. Titiana beheerst het Lichte Hof, met de mooie en goede elfen en Amadan het Donkere hof, met de lelijke en slechte elfen. Dit nieuws baart de ridders zorgen.
Bliant besluit een aantal vragen te stellen aan de opschepperige en praatgrage monsters. Hij wil weten wat zij kunnen vertellen over Merlijn de Tovenaar. De monsters antwoorden dat Merlijn werd verwekt door hun Koning bij een mensenmaagd. Merlijn werkt voor zijn Koning en Vader. Bliant vermoedt nu dat Merlijn een manier probeert te vinden om de werelden van de mensen en elfen bij elkaar te brengen, om zo een soort invasie van de elfen voor te bereiden.
Chestelaine vraagt of de monstertjes gezien hebben wat er gebeurt is bij de Dans der Giganten. Zij zeggen van niet, zij durven niet bij de machtige stenen te komen. Bliant vraagt de monsters hoe zij bij de Koningin kunnen komen. Ze vertellen dat de ridders dan het pad door het woud moeten volgen.
Terwijl de ridders met de monsters praten, horen zij plots het gehuil van wolven en even later jachthoorns. Het is de Wilde Jacht, die jaagt op mensen! De ridders gaan ervan door, op de vlucht en uitgelachen door de monstertjes.
Terwijl de ridders vluchten, besluit Chestelaine dat dit zijn eer te na is. Hij wil al strijdend ten onder gaan. Hij geeft zijn schildknaap opdracht om verder te vluchten en eventueel hulp te halen. Zelf keert hij zijn ros en wacht de Wilde Jacht op (Valorous check.). Bliant staat zijn maat bij. Bandalaine vindt het dom om te blijven vechten en vlucht verder met de schildknapen (Cowardly check. ).
In volle galop passeert Bandalaine een klein mannetje langs de kant van het pad. Hij draagt een rode puntmuts. Belangere en Breunis stoppen wel voor het mannetje. Zij roepen Bandalaine terug. Hij komt bij zijn positieven en keert zijn paard.
Het mannetje stelt zich voor als Puck en zegt: “Is de wilde jacht weer bezig? Dat zal Titiana niet leuk vinden.”
Inmiddels zijn Bliant en Chestelaine verwikkeld in een hevig gevecht met twee enorme honden. Met enige moeite weten zij deze te verslaan. Dan keert Bandalaine met de schildknapen weer terug bij zijn maten, hij stort zich met hen in de strijd tegen de elfenridders in hun afschrikwekkende bepantsering.
De elfenridders zijn sterk en vaardig en het kost de ridders veel moeite om hen te bevechten. Blaint is verbaasd dat Breunis weer terug is, hij zegt: “Wat doe jij hier, haal hulp, Titiana moet hier zijn, zodat ik haar het hoofd van haar man kan geven.”
Wanneer de strijd er voor de ridders grimmig uitziet, horen zij plotseling klaroengeschal. Koningin Titiana is met haar nobele elfenridders op het slagveld gearriveerd. De elfenridders in de donkere uitrusting knielen voor haar in het stof. De ridders doen dat ook.
Titiana wil weten wat de mensen doen in het rijk van de elfen. Bliant antwoordt: “Merlijn, de zoon van Amadan heeft ons hierheen gebracht.” Deze onthulling is een schok voor Titiana. Nadat zij met scherpe stem de ridders van de Wilde Jacht heeft laten weten dat zij zeer ontstemd is, stuurt zij hen weg. Dan keert zij zich weer naar de ridders.
Koningin Titiana zegt: “Ik ben bedrogen en verraden door mijn eigen echtgenoot. Het is zijn plan die de werelden in gevaar hebben gebracht. Maar het is Merlijn die zijn plannen uitvoert. Ik stuur jullie terug naar jullie wereld. Maak een einde aan de plannen van Merlijn. Ik zorg wel voor mijn echtgenoot.”
Dan vallen de ridders in slaap. Zij worden weer wakker tussen de stenen van de Dans der Giganten. Even denken zij nog dat zij het hele avontuur gedroomd hebben. Maar Merlijn is nog steeds nergens te bekennen. Bovendien is het seizoen anders. Het is nu laat in de herfst, de winter staat voor de deur. Zij hebben zeker drie maanden doorgebracht in het land van de elfen, misschien wel veel meer.
De ridders gaan op huis aan. Zij maken een tussenstop in Amesbury, daar worden zij herkend, maar iedereen is bang van hen. Een zeer dappere burger weet hen te vertellen dat zij drie maanden geleden met Merlijn de Tovenaar naar de Dans der Giganten vertrokken. De volgende dag kwam Merlijn alleen en zeer bedroefd weer terug. Hij vertelde dat de ridders waren omgekomen in hun nobele poging hem bij te staan. En nu leven zij weer!
Wanneer de ridders dit horen reizen zij heel snel verder naar Sarum. Zij zijn er nu van overtuigd dat Merlijn van plan was hen te doden omdat zij teveel wisten. In Sarum is iedereen er ook van overtuigd dat de ridders dood waren. Sir Robert is woedend wanneer hij het verhaal van de ridders hoort. Merlijn heet geprobeerd om zijn ridders over de kling te jagen. Het is nu te laat in het jaar om er nog wat aan te doen, maar bij de volgende Pentecoste zal hij zeker een klacht indienen bij de Koning.